De leukste bladmuziek voor blaasorkesten
WatIsEenDweilorkest

Wat is eigenijk een dweilorkest?

“De vervaging van de naam Dweilorkest”

De afgelopen jaren ben ik vaak gevraagd om te jureren tijdens festivals voor dweilorkesten. Een leuke, maar ook zeer lastige klus. Lastig? Ja, lastig! Waarom?

In 1986 ben ik begonnen bij De Valleibloazers uit Amersfoort. Toentertijd was de naam ‘Boerenkapel’. Aangemoedigd door de televisie beelden van het schaatsen (Elfstedentocht, Thialf) vond ik de harmonie niet leuk meer. De Valleibloazers bestonden uit 4 trompetten, 2 trombones, altsax, tenorsax, klarinet, bariton, bas en slagwerk.
Het repertoire varieerde van Carnavalsmuziek tot Egerlander: er was in die tijd nog geen markt voor andere blaasmuziek. We hadden optredens met carnaval, maar ook veel erbuiten: wijnfeesten in Boppard, braderieen, feesten en festivals.
Al snel bleek dat de weg die we waren ingeslagen succes had: een stel jonge honden die leuke muziek maakte en daarbij ook nog eens veel aan entertainment deden. Er waren in die tijd weinig festivals: Intrada en de Bemmelse Dweildag behoorde tot de grote evenementen. We zochten ‘spektakel’ muziek uit: Yippie A Jee, Captain Jack, Hello Dolly en My Little Lady. Dit gooide hoge ogen op de Bemmelse Dweildag: wat een feest, wat een gave muziek. De Valleibloazers werden bekend in Nederland. Geen suffe boerenkapel meer of een harmonie, maar een band met show en vernieuwende muziek. Maar ook orkesten als De Jigger Bigger Band, de Dakkapel, de Notenkrakers en de Bietenbouwers deden het goed.

Het muzikale landschap begon langzaam te veranderen: steeds betere muzikanten en mooiere arrangementen werden ingezet tijdens optredens. Ook de Valleibloazers paste hun repertoire aan : van Hoempa muziek naar Nederlandstalig en Disco muziek. We werden immers op steeds meer optredens gevraagd en daar werd het repertoire op aangepast. Ook de festivals werden professioneler: de burgemeester werd vervangen door een geschoolde muzikant en dat kwam terug in de juryrapporten. Werd er in de begintijd nog wel eens geschreven : “ jullie wil ik op mijn trouwerij”, later werd er geschreven “de trompetten moeten de zestiende nootjes beter uitspelen”.
Een verandering van het muzikale landschap rond dweilorkesten was ingezet. Eind jaren negentig schreef ik arrangementen van bijvoorbeeld Het Goede Doel, Gloria Estefan, Paul de Leeuw en Toto. Deze muziek was in de begintijd niet aan de orde.
De optredens varieerden van Thialf (Veronica’s ijsgala, EK Dames) tot het voorprogramma van Normaal. Maar ook evenementen van grote organisaties werden steeds vaker voorzien van een dweilorkest. Het repertoire moest per optredens bekeken worden: Thialf vroeg een heel ander repertoire dan de Keistadfeesten in Amersfoort.

Waren we nog wel een dweilorkest? De naam werd steeds meer aangepast in Showorkest: de combinatie van muziek en show. In 2005 heb ik een arrangement gemaakt van Girl en we mochten deze samen met Anouk spelen voor Rob Stenders in de ochtendshow. En weer kwam de vraag: wat zijn jullie nu eigenlijk, wat voor een muziek speel je? De term ‘blaaspop’ werd bedacht onder leiding van Rob Stenders. Popmuziek gespeeld door een groep blazers, dat paste wel.

Anno 2013 zijn er veel ‘blaasgezelschappen’ in Nederland aktief. Variërend van kleine tot grote samenstellingen en een diversiteit aan instrumenten en arrangementen. Bands bestaande uit alleen maar koperblazers (trompetten, trombone en ritme) tot gezelschappen met een complete bigband blaasbezetting. Maar ook de keuze van de muziek wordt bepaald tot het hoofddoel van de optredens: binnen het carnaval- of alleen buiten het carnavalsseizoen, veel of weinig optredens in stadions (schaatsen, voetbal, Olympische Spelen), disco-achtige optredens.
Afhankelijk van de bezetting en het soort optreden worden de arrangementen ook anders geschreven. Gaat het bij het ene optreden vooral om sfeer en een brede sound, vraagt het andere optreden om leuke tegenmelodie, solo’s en een strakke beat. Maar er staan ook orkesten met een complete saxsectie. Die kan je natuurlijk met de andere instrumenten laten meespelen, maar je kan ook een eigen rol spelen binnen de samenstelling van de band.

En daar komt nu het probleem om de hoek: hoe gaat een jury om met al deze verschillende samenstellingen, arrangementen en presentaties? Is het niet appels met peren vergelijken als je een orkest met alleen maar koperblazers plaatst naast een orkest met een volledige bezetting met koper en saxen?
Hoe vergelijk je een band die vooral ‘feestmuziek’ speelt met een band die een breder repertoire heeft? Wie bepaald überhaupt de definitie van ‘feestmuziek’?
De term ‘Dweilorkest’ heeft misschien wel een hele verkeerde lading. Er zijn orkesten die zich daarom een andere naam hebben gegeven: showkapel, showband, blaaskapel, feestband, boerenkapel, carnavalsorkest, oranjekapel en ga zo maar door. Maar valt het niet allemaal onder de noemer ‘Dweilorkest’?

En nu weer naar mezelf: als muzikant sta ik pas lekker te spelen als ik dat kan doen wat bij mij past. Lekker meerstemmig spelen, het publiek entertainen en het uiterste eruit halen wat kan: vlammen op een podium met lekkere muziek. De zweetdruppels wil ik op mijn voorhoofd hebben en na een optreden het gevoel: dat hebben we weer goed gedaan. Of het dan gaat om een complete mensenmassa die staat mee te zingen of een moeder die een traantje wegpinkt: ik heb de mensen vermaakt!

Sla ik de spijker op zijn kop of sla ik de plank mis? Laat het me weten!

 

 

Andere berichten in